...

Op facebook deelde ik afgelopen week
mn vragen die weer opspeelden toen ik na lange tijd weer eens aanbiddings ging leiden in een kerkdienst. Daar kreeg ik opvallende reacties op en vandaar dat ik ook graag het hele verhaal kwijt wil in plaats van mijn kort-door-de-bocht-quotes.

poeh dat was ff wennen weer na zo’n lange tijd. Het is leuk om te doen, vooral het ‘samen’ zingen in aanbidding is eigenlijk best een bijzonder ding.

Ik heb vanaf mn 19e tot mn 30e aanbidding geleid, en ik zag op een gegeven moment niet meer wat het is. Als je stapels met bijbelse visies over hoe je aanbidding moet leiden hebt gehoord, alle hebreeuwse termen voor aanbidding hebt geleerd en tientallen workshops en seminars hebt gevolgd, lijkt het de normaalste zaak van de wereld.
Verhelderend om er dan na 3 jaar weer ff van een afstandje naar te kijken.

Afgelopen zondag stapte ik even weer in die rol, en grappig genoeg voelde het alsof ik de karaoke-bal was die bij karaoke op het scherm verschijnt.

Ik kom uit de gereformeerde kerk, en in mijn tijd toen ik tiener was, hadden we alleen sing-ins, opwekkingsliedjes mochten in de dienst niet gezongen worden, maar daar wel. Daar werd dan ook gretig gebruik van gemaakt. De hele zaal zat vol met gereformeerde mensen die uit volle borst meezongen, zonder aanbiddingsleider, alleen een combo. Ja, je raad het goed, een dwarsfluit, een pianist die enthousiast hobbelde op zijn kruk, en jaja, een drummer, met zijn glimmende kale hoofd die zacht eerbiedig met kwastjes roffelde op zijn onversterkte drumstel.

En er was een man met een baard die alle liedjes op sheet had, en die met zijn pen op de overhead-projector de woorden aanwees die gezongen werden. Hij bestuurde de karaoke-bal. Dit was fenomenaal, zelfs de doven en slechthorende mochten op de voorste rij zitten en konden ‘meezingen’. Ik denk dat ze op de voorste rij mochten zitten, omdat ze hun eigen grondtoon hadden.
En oohja, altijd dezelfde meneer die plostseling tijdens het zingen ging staan en z’n hand bedeesd in de lucht voor zich uitstak alsof hij een appel vasthield.
Wat me zo bijstaat in die context is dat elk liedje uit volle borst werd gezongen, en geen enkel liedje iets van dynamiek kende. Het was aan of uit. Zoals het een goed christen betaamde te zingen voor den Heere: hard!
De muziek was sober en van het combo was alleen 1 microfoon versterkt, door de schelle preek-speakertjes die witgekleurd wegvielen aan de zijkant in de mooie gereformeerde kerk.

Pas later toen ik bij conferenties kwam en de muziek harder klonk dan dat er gezongen werd, maakte die enorm veel indruk op me. Een zanger met een snik in de stem, en zachtjes zong en dan weer hard en het publiek dat zoekend volgde en een band die dynamiek bracht in de muziek. Soms kwam je in een kerk met mannen met hele grote C&A pakken aan, en daar wilde de drummer nog wel eens met de cymbalen ophitsende ‘golven’ maken.

Ooit heb ik op zo’n opwekkende conferentie mijn hart aan Jezus gegeven, en werd overspoeld met muziek met dynamiek en urgentie. Ik werd niet alleen aangesproken in mijn ratio, maar ook mijn gevoel kreeg een plek.

Als gereformeerde jongen blijf je toch altijd een beetje op je hoede en komt er toch iets van calvinisme om de hoek kijken als je je inlaat met gevoelsmuziek. Maar ik wist dat vroeger het kerkorgel te seksueel was om liederen voor den Heere op te spelen, maar ook dat waaide over en het ophitsende geluid van deze grote pijpen werd door de kerk omarmd. En zo zou het ook met deze gevoelsmuziek gaan. Dat leek me wel wat.

In de jeugddienst in de kerk was er plek om als tieners wat liedjes te spelen en de dienst te begeleiden, en hoe meer ik spiekte buiten onze gereformeerde traditie en de gevoelsliedjes introduceerde in onze kerk, hoe verder ik kwam af te staan van de gemeente.

Ook toen er een nieuwe dienst in het leven werd geroepen en ik daar als zangleider mee kon draaien, merkte ik al snel: Ik wil verder, ik wil aanbidding, geen liedjes zingen, geen liturgie, maar langere blokjes muziek waarbij ook dat gevoel (mijn woorden van toen: Heilige Geest) meer ruimte kreeg.
Dat botste met het team na een tijd en ik werd op non-actief gezet. Een pijnlijke periode, maar achteraf zie je dat ook dat je loutert.

In mijn studententijd heb ik 3 jaar op een zolderkamertje de liedjes gespeeld en me ondergedompeld in de wereld van worship, toen nog een hype en daar kon je de Heilige Geest momentjes op de minuutaf terugvinden en terugspelen.

Bij de studentenvereniging was vanaf dag 1 een gapend gat en een wens voor meer aanbidding, en als eerstejaars kon ik mijn aanbiddingsei flink kwijt. Ook in de gemeente waar ik toen kwam kon ik aan de bak, op conferenties en festivals leidde ik vervolgens aanbidding. Dat was hard werken: een goeie flow, de juiste liedjes, een lijn maken van Gods grootheid naar ons nietige bestaan, om vervolgens mensen met een open hart bij de Heer te brengen. Dat was het mooiste wat er was.

In de periode dat het slechter met mij ging (depressie) merkte ik dat ik meer behoefte had aan muziek die uiting gaf aan die emoties, en had ik eerst minder behoefte aan Hallelujah-liedjes, en pas veel later ook minder behoefte aan God-is-zus-of-zo-liedjes.

ik werd sceptischer naar worship avonden en de manier waarop ik aanbidding leidde. Op een gegeven moment leidde ik aanbidding in een kerkje in Amsterdam terwijl ik de hele nacht niet geslapen had vanwege mijn depressie. Daar kon ik alleen maar eerlijk zeggen dat ik ff helemaal geen zin had om aanbidding te leiden en me zo #$%^& voelde. Ik hoop dat dat voor de mensen in dat kerkje niet veel schrikken was en juist een stimulans was om eerlijk er in te staan.

Nu na enkele jaren, merk ik dat ik God minder zoek in die momenten van muziek en grote groepen. De reden ligt denk ik in de vele dingen die ik zelf gezien heb, dingen die ik zelf op het podium gedaan heb. ik zag dat de mensen die die aanbiddingsmodus telkens weer opzochten om zo door hun moeilijke tijd te komen, uiteindelijk niet verder kwamen. Ze gingen die tijd van aanbidding ‘oplaadmomenten’ noemen en kwamen toch elke zondag nog naar de kerk omdat ze het gevoel hadden dat God dan aan het werk ging.
En nu moet ik herkennen, die persoon was ik.

Het heeft even geduurd voor ik geen aanbidding meer leidde en Jezus wat meer buiten de kerk vond. Mijn gevoel en mijn ratio was inmiddels klaargemaakt om God te herkennen. Ik vond Jezus In een mooie film, op een dansfeestje, in mn vrienden, en uiteindelijk ook in een iemand die geen pasport had.
Die route was voor mij enorm waardevol en zou ik voor geen goud of platinum-album willen ruilen. Ik geef toe dat het een illusie is om te denken dat iedereen dezelfde route doorloopt in het leven.
Bij mijn vrienden herken ik dat sommigen de dingen leren die ik pas enkele jaren later oppakte, en ook andersom. Het leven is niet lineair.
En toch herken ik een patroon, een patroon niet alleen in de kinderen van de God, maar ook een patroon in de kinderen van de tijd.

Okee, projectie ligt op de loer, het zou jammer zijn als ik voor elke persoon die ik met zn handen in de lucht zie met een ik-doe-zo-mn-best blik op het gezicht, zou invullen dat hij of zij het ook teveel zoekt in dat moment. Ik wil daarvoor waken. Tegelijkertijd herken ik die modus in de taal die de worship-liefhebbers gebruiken. Dat maakt me alert en het interesseert me mateloos wat die mensen beweegt.

Soms denk ik wel eens, hebben we een soort worship-junkies gecreeerd?
Soms denk ik, het is een fase, die ben ik ontgroeid.
Soms denk ik, ik moet terug, ik ben een heiden geworden.
Soms denk ik, ik ben genuanceerder geworden, volwassener.
Soms denk ik, ik wou dat ik mezelf weer kon verliezen in iets groters, zoals bij aanbidding.

En soms denk ik, wat als ik dat zou doen, Hoe zou dat dan gaan?

Ik zou weer naar kerken gaan, en cd’s kopen, en conferenties bezoeken, en wellicht me aangesproken voelen en naar voren gaan, een indruk krijgen, en voor me laten bidden, en het bijbellezen wordt ingekleurd door de theologie van de liedjes, en ik zou willen dat het me raakt en daar onbedoeld mee bezig houden, of juist me focussen op God en me niet teveel bezigheden met mn gevoel, maar wel mn hart willen openen, want ik zou ook niet iets willen missen en ik zou mensen om me heen zien die het lukt om zich over te geven, en ik zou dat ook willen, maar ook volwassen willen zijn en me daar niet teveel van aantrekken, en ik zou zoeken naar wat mijn rol in Gods koninkrijk is en misschien wel weer aanbidding willen leiden, en dan moeten oefenen met de band, en visie weekenden hebben met toerusting, en aanbiddingsleidersoverlegmomenten, en zondagochtend bidden en een indruk krijgen dat God iets wil doen tijdens de aanbidding, en dat dan weer moeten loslaten, want het is Gods werk, en dan me openstellen voor Gods Geest en gewoon lekker liedjes spelen en na afloop te horen krijgen dat ik mensen zo goed in het hart van God kan begeleiden, en dan na de koffie moe naar huis gaan en me echt afvragen of dat wel het hart van God is…

… en ik zou terug verlangen naar het combootje in de gereformeerde kerk, met de valse dwarsfluit en de kwastjes-drummer met zijn glimmende hoofd, en de meneer met de baard die de karaoke-bal bestuurt. En iemand die ongegeneerd vanachter uit de kerk roept bij de verzoeknummers. ‘nummer 488, die van die arend’
(voor de pasbekeerde lezer: opwekking 488 was destijds de opwekking-hit. Zeg maar de ‘tienduizend redenen’ van 1990)

tot zover mijn zoektocht.

(ik moet wel eerlijk zeggen dat ik dat combootje ook niet zie zitten. ­čśÇ )

Liever zing ik af en toe een liedje met wat mensen die dichtbij me staan. Mijn grootste droom is dat die liedjes niet meer alleen de aanmoediging zijn om naar buiten te gaan, maar dat we buiten onze kerkelijke comfortzone ook eerlijke liederen bij ons hebben of sterker nog: zelf ook eerlijke liederen kunnen zijn voor de mensen die in nood leven, opgesloten worden, leven in angst of eenzaamheid.

 Dit blog werd ook gepubliceerd op www.staatgeschreven.nl